mens
(de; mensen)
1 het hoogst ontwikkelde wezen, dat zich door zijn rede en taal
van de dieren onderscheidt
|
|
| |
ar·chi·tec·tuur
(de; architecturen)
1 bouwkunst
2 bouwstijl |
nacht
(de; nachten)
1 tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst, m.n. na middernacht en
zes uur ’s morgens
|
|
| |
fau·na
(de)
1 het dierenrijk in een bepaald land of een bepaald geologisch tijdperk |
flo·ra
(de; flora’s; floraatje)
1 het plantenrijk in een bepaalde streek of periode
2 beschrijving van vegetatie
|
|
| |
geel
(het)
1 gele kleur
2 (sport) een gele kaart |
zon
(de; zonnen; zonnetje)
1 hemellichaam dat licht en warmte uitstraalt, het centrale lichaam
in het zonnestelsel waar de aarde deel van uitmaakt
2 straling, warmte, licht van de zon |
|
|
len·te
(de; lentes)
1 het eerste jaargetijde, op het noordelijk halfrond van ongeveer
21 maart tot 21 juni
|
ka·mil·le
(de; kamillen, kamilles)
1 elk van de planten van het geslacht Matricaria
2 geneesmiddel, gemaakt van de gedroogde bloemhoofdjes van de
kamille
(nieuwe
foto's in dit album)
|
|
| |
|
gas·ten·boek (het)
1 boek waarin bezoekers van deze website hun naam en eventueel een
dankbetuiging e.d. schrijven |